De fopspeen van Marcouch


Onlangs pleitte Marcouch via een motie voor een onderzoek naar een verbod op Salafisme. Het zou een kwaadaardige, antidemocratische, isolationistische en onverdraagzame politieke ideologie zijn. Het lijkt alsof hij preventief een blik angstwekkende bijvoeglijk naamwoorden heeft opengetrokken om te voorkomen dat zijn voorstel bij voorbaat als een absurde schending van godsdienstvrijheid zou worden afgeserveerd.

En het heeft gewerkt, de motie is aangenomen. Dus nu gaat men onderzoeken of er een verbod kan komen op een religieuze stroming die ingebed is in de islamitische traditie en zich van andere stromingen onderscheidt door de toepassing van specifieke interpretatiemethodieken ten aanzien van de islamitische basisbronnen. En o ja, scheiding van kerk en staat is één van de pijlers van democratie.

Geen van de gebruikte adjectieven zijn door Marcouch echter onderbouwd met bewijzen. Integendeel , de argumentatie was zo fragiel als de gemiddelde omaheup. Iets met ISIS, Parijs en Syrië. Handige etiketten waarmee men in tijden van irrationele maatschappelijke angst geruisloos aan de verplichting van onderbouwing kan ontkomen. Opvallend was ook zijn afwezigheid in praatprogramma’s waar hij zijn voorstel in het bijzijn van deskundigen had kunnen verdedigen. Immers, een theorie heeft pas waarde als deze aan een Popperiaanse falsificatiepoging is onderworpen. Zou Marcouch dan zelf ook het hoge populismegehalte van zijn voorstel inzien en daarom het debat erover consequent vermijden?

Als parlementariër toont Marcouch overigens bar weinig vertrouwen in de weerbaarheid van democratie. Volgens hem kan een relatief kleine stroming bestaande uit een buitengewoon disparate collectie substromingen waarvan het merendeel volgens deskundigen quiëtistisch van aard is en een afkeer heeft van politieke bemoeienis, de democratische rechtsorde omkegelen. Heeft de democratie niet voor hetere vuren gestaan?

De oversimplificatie van complexe vraagstukken en het aandragen van populistische oplossingen  is inmiddels een traditie in de Nederlandse politiek. Maar dat een verbod op een islamitische stroming geïnitieerd zou worden door een moslimparlementariër van een partij die een deel van haar stemmen doorgaans ronselt in moskeeën, zou aanvankelijk zo ongeloofwaardig klinken als het scenario van Star Wars.

Tevens ondermijnt dit voorstel de door Marcouch voorgestelde omgang met ‘onwenselijke’ ideeën. Die moeten namelijk bestreden worden door er ‘betere’ ideeën tegenover te zetten. Een verbod is geen beter idee maar een repressieve maatregel die men inzet bij gebrek aan betere ideeën.

Waarom zou men een wet willen om het denken van een bepaalde groep te beteugelen omdat dat denken mogelijk via een hele lange omweg zou kunnen uitmonden in daden die toch al bij wet verboden zijn? Zo’n wet voegt niks toe, behalve dat het de godsdienstvrijheid inperkt waardoor de democratische rechtsorde wordt aangetast. Laat dat nou net zijn wat Marcouch met een verbod zegt te willen voorkomen. Daarmee handelt Marcouch als een arts die zijn patiënt een enge ziekte aanpraat om hem vervolgens een middel voor te schrijven dat resulteert in het ontstaan van de door hem gevreesde kwaal.

Bovendien is het voorstel van Marcouch ook praktisch onuitvoerbaar. Om het realismegehalte enigszins te behouden sprak hij in de motie over een verbod op salafistische organisaties en niet op salafisme an sich. Dat gaat dus over het dichttimmeren van moskeeën en stichtingen. Maar hoe stellen we vast wie salafistisch is en wie niet? Dat vereist een afgebakende definitie van salafisme die bovendien kan worden uitgedrukt in concrete kenmerken. Wanneer men één of meerdere kenmerken bezit valt hij onder het verbod. Wil Marcouch dan binnenkort ambtenaren met een checklist moskeeën laten langsgaan om te controleren of moslims ‘kenmerken van salafisme’ bezitten?

Wie zich de praktische manifestatie van een verbod op salafisme voor de geest probeert te halen, zal al snel de absurditeit van dit voorstel inzien en tot de conclusie komen dat het niet meer is dan een populistische uitspatting.

Abou Hafs

Dit artikel verscheen eerder in de Volkskrant