Het salafismeverbod van Marcouch: een populistische uitspatting

Afgelopen week klonk in Den Haag het inmiddels bekende geluid van een islamitisch gerelateerd verbod. Niet uit PVV gelederen waar men het zou verwachten, maar uit de linies van de traditionele volkspartij PvdA, nota bene de partij waar moslims traditiegetrouw hun stem aan gunnen. Initiators van de motie waarin de regering gevraagd wordt onderzoek te doen naar de mogelijkheden om salafistische organisaties te verbieden zijn Marcouch en Tellegen (VVD). 

Hoe weinig doordacht het plan van Marcouch is, blijkt wel uit de schamele onderbouwing die hij ervoor presenteert. In antwoord op de vraag waarom hij zo’n verbod noodzakelijk acht, noemt hij salafisme, ISIS en Parijs in één adem. Immers, je kunt tegenwoordig wegkomen met alles waar je ISIS vóór, tussen of achter plakt. Hij maakt dan ook handig gebruik van de heersende angst om te pleiten voor de inperking van fundamentele vrijheden, gebruikmakend van een goedkope populistische generalisering. Dat doen ze alleen bij de PVV, dacht ik tot voor kort. Maar je weet tegenwoordig nooit hoe een koe een haas vangt.

Het lijkt er op dat Marcouch voor deze show de trukendoos van Wilders heeft geleend. In navolging van Wilders noemt hij het salafisme ‘een politieke ideologie die niks met godsdienst te maken heeft’. Dat is een handige goocheltruc om een verbod te kunnen eisen zonder dat de vrijheid van religie in het geding komt. Deze uitspraak is niet alleen feitelijk onjuist, maar toont ook het volstrekte kennisgebrek van Marcouch aangaande het fenomeen salafisme. In alle gezaghebbende literatuur onderscheiden onderzoekers het salafisme in verscheidene stromingen en kenmerken zij de grootste salafistische stroming als apolitiek, puriteins of quiëtistisch. Het label zegt het al, zij houden zich verre van politiek, richten zich voornamelijk op purificatie van de religie en de ziel en hebben een quiëtistische houding ten opzichte van politiek. Sterker nog, zij verzetten zich juist ten stelligste tegen elke vorm van politieke bemoeienis. Een van de grondleggers van het neo-salafisme, Nasir ad-Dīn al-Albānī, omschreef deze houding met de treffende woorden: ‘min as-siyāsati tark as-siyāsah’ (het is ons beleid om ons niet met politiek te bemoeien).

Niet alleen deze tegenstrijdigheid kenmerkt de onderbouwing van Marcouch, maar al de in de literatuur benoemde differentiaties ten aanzien van salafisme gaan aan hem voorbij. Hij houdt het bij oneliners als ‘salafisme is salafisme’ en ‘ik vind dat een kwaadaardige ideologie’. Voor de bijvoeglijke bepalingen lijkt hij naast de trukendoos ook het woordenboek van Wilders te hebben geleend. Als we tegenwoordig niet meer hoeven te verwachten dat politici zich inlezen en een degelijke theoretische bagage bezitten aangaande de kwesties waar ze nieuw beleid voor willen maken, dan mogen we toch wél hopen dat ze overheidstukken over dat onderwerp bestuderen. Op de vraag van Tweede Kamerlid Tunahan Kuzu waarom Marcouch de constatering van zijn partijgenoot Asscher verwerpt dat het salafisme een gefragmenteerde stroming is met allerlei verschillen, antwoordt hij met een tamelijk gênante onwetendheid: ‘die analyse deel ik niet’. Maar ‘die analyse’ is sinds jaar en dag gangbaar in alle overheidsrapporten die over salafisme worden gepubliceerd en vormt de grondslag in alle wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp. Daar had Marcouch toch echt wel wat deskundigheid mogen tonen.

Wie liever naar de praktijk kijkt in plaats van de boeken zal tot eenzelfde conclusie komen. Moslims die zich tot het salafisme rekenen of daar door anderen aan worden toegeschreven, verschillen op tal van punten fundamenteel met elkaar. Zelfs het zogenoemde gewelddadige extremisme dat Marcouch met een verbod op salafisme zegt te willen beknotten, is een dossier waarover salafisten alles behalve eensgezind zijn. Afgezien van de salafi-jihadi stroming die in de literatuur eveneens wordt onderscheiden en het gebruik van geweld in bepaalde gevallen legitiem acht, voeren apolitieke of quiëtistische salafisten al jaren een weergaloze strijd om de rationale achter de legitimering van dat geweldsgebruik te ondermijnen. Dat is geen repressieve, ondoordachte reactie zoals Marcouch voorstaat maar een op islamitische bronnen gebaseerde counter-narrative.

Als het Marcouch daadwerkelijk te doen was om de bestrijding van extremisme, dan had hij niet gepleit voor een verbod maar een alliantie met het salafisme. Temeer omdat hun oppositie tegen dat extremisme religieus onderbouwd is en gevoerd wordt door vooraanstaande geleerden die als enigen nog het gezag genieten om de religieuze opvattingen van eventuele ‘potentiële extremisten’ te beïnvloeden. En dit doen zij niet omdat ze subsidie ontvangen van de overheid en dus het woord van hun broodheren moeten spreken, zoals dat bij sommige bestrijders van extremisme het geval is, maar omdat ze heilig overtuigd zijn van hun religieuze gelijk. Het waarschuwen tegen extremisme is bij deze salafisten zelfs vast onderdeel van hun missionaire activiteiten. 

Je kunt deze salafistische stroming veel verwijten, maar niet dat ze een voorportaal zijn voor gewelddadig extremisme. Dat Marcouch deze salafistische stroming niet heeft kunnen of willen onderscheiden, getuigt van een buitengewoon schadelijk gebrek aan deskundigheid, of een bijzonder kwalijke dubbele agenda. 

De dagen na de aanslagen in Parijs zijn we overspoeld door verklaringen van salafistische moskeeën en organisaties waarin de aanslagen in ondubbelzinnige bewoordingen werden veroordeeld. Van de kleinste salafistische moskee in Nederland tot de Grootmoeftie van Saudi-Arabië. Iedereen toonde zijn afkeer, en nog relevanter, onderbouwde zijn oordeel met bewijzen uit de basisbronnen van de islam, bronnen waar extremisten zich volgens Marcouch op baseren.

Afgezien van deze populistische generalisering is het voorstel van Marcouch ook praktisch onuitvoerbaar. Om het realismegehalte enigszins te behouden sprak hij in de motie over een verbod op salafistische organisaties en niet op salafisme an sich. Dat gaat dus over het dichttimmeren van moskeeën en stichtingen. Maar hoe stellen we vast wie salafistisch is en wie niet? Dat vereist dus een afgebakende definitie van salafisme die bovendien kan worden uitgedrukt in concrete kenmerken. Wanneer men één of meerdere kenmerken bezit valt hij onder het verbod. Wil Marcouch dan binnenkort ambtenaren met een checklist moskeeën laten langsgaan om te controleren of moslims ‘kenmerken van salafisme’ bezitten? En wat als het salafisme zich juist van andere islamitische stromingen onderscheidt door een specifieke methodologische benadering van de islamitische basisbronnen? Moet de checklist dan vragen bevatten als: ‘vindt u dat multi-interpretabele verzen in de Koran in het licht van nieuwe ontwikkelingen geherinterpreteerd kunnen worden, of moet voor de interpretatie ervan een beroep gedaan worden op het begrip van de eerste drie generatie moslims’ (de salaf)? 

Wie zich de praktische manifestatie van een verbod op salafisme voor de geest probeert te halen, zal al snel de absurditeit van dit voorstel inzien en tot de conclusie komen dat het niet meer is dan een populistische uitspatting. 

Abou Hafs

Dit artikel verscheen eerder op Republiek Allochtonië