Wel of niet stemmen: de drogreden van het autoriteitsargument

Wie de discussie over deelname aan verkiezingen zonder vooringenomenheid en met open vizier volgt, zal vast moeten stellen dat de voorstanders van het stemmen tot nu toe geen onomstotelijk bewijs hebben kunnen leveren voor hun rechtvaardiging. Tot nu toe kwam men niet verder dan een beroep te doen op een deskundig persoon (die in de meeste gevallen zelf geen theologische onderbouwing kon geven, of voorbeelden aanhaalde die in geen geval als bewijslast kunnen dienen voor deelname aan verkiezingen). Wat is er mis met het verwijzen naar een deskundig persoon om een stelling te onderbouwen?

Ten eerste, hoe kunnen we objectief bepalen wie deskundig is? Is het label 'deskundige' niet afhankelijk van de subjectieve beoordeling van het individu die dit label gebruikt? Ten tweede, hoe bepalen we of de deskundigheid van de deskundige van toepassing is op het terrein waarover een oordeel geveld moet worden? We vragen een deskundige schoenmaker ook niet naar de kwaliteit van vlees. Ten derde, wat als er een oordeel geveld moet worden over een complexe materie, waaraan verschillende aspecten zitten, die elk weer een specifieke deskundigheid vereisen? Volstaat dan een deskundige die slechts deskundig is op één aspect?

Hoe gaan we bijvoorbeeld om met geleerden die internationaal bekend staan om hun deskundigheid inzake islamitische wetenschappen, maar geen specialistische kennis hebben van de grondbeginselen van de parlementaire democratie en de implicaties van het electorale proces? Is hun oordeel over stemmen dan nog wel ‘deskundig’ te noemen? Kortom, een stelling verdedigen slechts op basis van de verwijzing naar een deskundige, volstaat niet en is niet meer dan een poging om onder de bewijslast uit te komen.

Wie zijn stelling slechts kan onderbouwen door de verwijzing naar deskundigen, maakt zich schuldig aan de drogreden van het autoriteitsargument. Dit wil niet zeggen dat de persoon naar wie verwezen wordt geen autoriteit is. Wat het wel zegt is dat de autoriteit op zichzelf geen bewijs is. De waarde van zijn uitspraak wordt slechts bepaald door de mate waarin de uitspraak gestoeld is op bewijzen en een correcte voorstelling van de werkelijkheid.

Omdat het de voorstanders van stemmen ontbreekt aan bewijzen, zien we dat de complete argumentatie voor participatie in verkiezingen bestaat uit verwijzingen naar geleerde A en deskundige B. Immers, wie op zijn woord geloofd wordt, is ontslagen van de lastige plicht zijn standpunt met argumenten te verdedigen. En aangezien het geleerden en deskundigen betreft, zijn de 'leken' zondig als zij om argumenten vragen, want daarmee trek je de deskundigheid van de deskundige en zijn bevoegdheid tot oordelen in twijfel. De 'leek' wil natuurlijk niet bekend staan als iemand die de autoriteiten niet respecteert en zal zich daarom onthouden van het vragen naar argumenten.

Nog afgezien van welk standpunt je over stemmen inneemt, dit is een gevaarlijke ontwikkeling. In de Islam wordt het standpunt van een deskundige overgenomen omdat het gefundeerd is op bewijzen uit de Quran, Sunnah en consensus van de voorgangers, niet vanwege de naam die onder de fatwa staat. Wie in de discussie over stemmen aanstuurt op blindelingse acceptatie van een uitspraak van een geleerde of deskundige, zonder ruimte te laten voor de vraag naar bewijzen, is bezig om het pausdom van de middeleeuwen in de Islam te introduceren. In dat systeem was het de gelovigen slechts toegestaan om te knikken en te gehoorzamen als de paus zijn oordeel geveld had. Hoe dat oordeel precies onderbouwd was, welke argumenten er aan ten grondslag lagen, dat wist alleen de paus, en die moest op zijn woord worden geloofd, anders was je zondig.


Onze geleerden en het oordeel over stemmen

In het islamitisch oordeel over stemmen schort het onze geleerden niet aan islamitische kennis, maar aan kennis van het democratisch systeem. De beginselen van een democratie, de functie van een parlement en de rol van een parlementariër moeten worden begrepen alvorens men hierover een oordeel kan vellen.

Ik ga uit van de integriteit van de geleerden en ben er van overtuigd dat geen van hen het zou toestaan, als de essentie van het systeem inzichtelijk gemaakt zou worden. Geen moslim zal immers accepteren dat er andere wetgevers naast Allah bestaan, zeker de geleerden niet.

Er ligt dus een taak bij de kenners van het systeem om op passende wijze inzicht te verschaffen in de beginselen, taken, doelstellingen en het functioneren van een democratie, opdat het oordeel van de geleerden in de toekomst op een afgebakende realiteit kan worden toegepast. 'Ar-rudju3u ilaa ahlil igtisaas' (terugkeer naar de mensen van specialisme) is voor elke fatwa een vereiste. Vooralsnog faalt men de essentie van het democratische systeem en het electorale proces helder in kaart te brengen, en zolang dit het geval is zullen onze geleerden hun mening niet aanpassen.


Abou Hafs